J.S.C. Abbott. Columbus

Columbus De ontdekker van Amerika

Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed Proofreading Team at http://www.pgdp.net/

Columbus,

De Ontdekker van Amerika.

Naar het Engelsch van J. S. C. Abbott,

Vertaald door

J. H. Geraets Jr.

Hoofd der school te Velsen

Met 11 Afbeeldingen.

Amsterdam.-1887.-W. Versluys.

EERSTE HOOFDSTUK. MOEILIJKHEDEN, WAARMEDE COLUMBUS IN ZIJN JONGE JAREN HAD TE KAMPEN.

In de prachtige zeestad Genua, de trotsche bijgenaamd, werd omstreeks het jaar 1435 een knaapje geboren, dat nu in alle landen als Christophorus Columbus bekend is. Het juiste jaar zijner geboorte kent men niet. Hij was de zoon van geringe lieden, en zijn vader, die een degelijk en vlijtig man, en wolkammer van beroep was, moest hard werken, om in het onderhoud van zijn gezin te voorzien.

De haven van Genua lag vol met schepen uit al de handelshavens van de toen bekende wereld. Op de kaden wemelde het van zeelieden, die allerlei talen spraken en de uiteenloopendste kleederdrachten vertoonden. De knaap was van nature nadenkend en bezat, bij een groote liefde voor avonturen, een levendige verbeelding. Wanneer hij zoo langs de straten slenterde en naar de groote schepen keek, ontwaakte een sterke begeerte in hem, om verafgelegen landen te bezoeken.

Zijn vader had vier kinderen, drie zoons en één dochter. Hij moet een verdienstelijk en verstandig man zijn geweest, want hij schijnt aan al zijne kinderen het onderwijs te hebben doen geven, dat de gewone school aanbood. Christophorus had goed leeren lezen, schrijven en rekenen. Ook had hij eenige vorderingen gemaakt in het Latijn en het teekenen. Zelfs bezocht hij de hoogeschool te Pavia, waar hij zich vlijtig oefende in meetkunde, aardrijkskunde, sterrekunde en zeevaartkunde.

Hij was nog maar 14 jaren oud, toen zijn vader hem aan de zorg van een bloedverwant, wiens naam Colombo was, toevertrouwde, en met wien hij zijn eerste zeereis deed. Deze ervaren zeeman was reeds zeer beroemd wegens zijn bekwaamheid in de zeevaartkunde. Bij de Genueesche vloot bekleedde hij den rang van admiraal en voerde hij het bevel over een eskader.

De zeeën werden toen zoo onveilig gemaakt door zeeroovers, dat elk koopvaardijschip goed van wapenen moest worden voorzien, om dadelijk strijdvaardig te wezen. Al weten wij niet, wat Columbus op zijn eerste zeereis wedervoer, toch is 't bekend, dat zij een oorlogstocht was. Colombo zeilde als bevelhebber van een eskader van Genua uit, om koning René, die zijn rijk trachtte te heroveren, ter hulp te snellen. Dit gebeurde in 1459. De oorlog duurde vier jaren. Het eskader van Colombo werd om zijn onverschrokkenheid zeer geprezen.

Later gaf Christophorus Columbus in een brief aan Ferdinand en Isabella een kort verhaal van een tocht, dien hij gedaan had om een galei uit de haven van Tunis te verjagen. Zijn scheepsvolk had bij toeval vernomen, dat de galei door twee andere schepen beschermd werd, en daardoor was het zoo beangstigd geworden, dat het weigerde den tocht voort te zetten. Schijnbaar willigde Columbus hunne wenschen in, en zij verkeerden dan ook in de meening, dat hij besloten had terug te keeren ten einde versterking te halen. Hij veranderde echter van koers, en haalde alle zeilen op. Weldra viel de nacht in. Toen de morgen aanbrak, zeilde het schip de haven in, waarin de galei lag.

De uitslag is onbekend, maar het voorval herinnert ons levendig de nog belangrijker krijgslist, waartoe hij later zijn toevlucht nam, ten einde zijne moedelooze schepelingen aan te vuren, om de reis over de onstuimige zee naar de nieuwe wereld voort te zetten. Destijds werd de Atlantische Oceaan zoo goed als niet bevaren. Eenige weinige ondernemende zeelieden waren langs de kusten van Noord-Europa gevaren, en zuidwaarts naar de westkust van Afrika gestevend. Maar de wereldhandel bepaalde zich hoofdzakelijk tot de Middellandsche zee. Dat waren dagen van ruw geweld, wetteloosheid en misdaad.

Elk koopvaardij schip was genoodzaakt wapenen te voeren. Zeeroovers, wier schepen menigmaal heele vloten vormden, maakten alle zeeën onveilig. Ieder zeeman moest wel een soldaat wezen, altijd klaar, om naar de wapenen te grijpen, ten einde een aanvallenden vijand af te slaan. Onder zulke omstandigheden werd Columbus gevormd. Van zijne vroegste zeetochten is ons niets bekend en wij weten alleen, dat hij een groot deel der toen bekende wereld doorkruiste. Zoo bezocht hij o.a. Engeland, en beploegde zijn voorspoedige kiel de wateren van de Noordzee, tot hij de noordelijke kusten van IJsland bereikte. Het is niet onwaarschijnlijk, dat hij daar losse geruchten vernam van de tochten, welke, eeuwen vroeger, de Noormannen naar de door het ijs omgeven kusten van Labrador en Groenland hadden gedaan, en van de eindelooze meer zuidwaarts liggende kusten, van welker uitgestrektheid niemand zich een denkbeeld maken kon. Later schreef hij in een zijner brieven:

"Veertig jaren lang heb ik de geheimen der natuur trachten uit te vorschen, en waar ooit een schip zich vertoonde, daar ben ik geweest."

Tijdens zijn omzwervingen kwam hij ten laatste te Lissabon, de hoofdstad van Portugal, aan, toen een der beroemdste zeehavens van de wereld. Hij was toen 35 jaren oud.

Uit de levensbeschrijving, door zijn zoon opgesteld, leeren wij, dat hij ijverig studeerde. Hij las de werken van Aristoteles, Seneca en Strabo. Menig middernachtelijk uur werd gesleten met het lezen van de nasporingen, door Marco Polo en Sir John Maundevile of Mandeville in het werk gesteld. De vraagstukken, waartoe deze ontdekkingen aanleiding gaven, bepeinsde hij ernstig. Maar het boek, dat hem het meest boeide en zijn geest geheel en al bezighield, was de Wereldbeschrijving, de "Cosmographie", van kardinaal Aliaco. Het was een zonderling mengsel van dwaasheid en geleerdheid, van echte wetenschap en zotte fabelen.

Columbus trof te Lissabon vele zeelieden aan, verstandige, opmerkzame menschen, die alle bekende zeeën hadden bevaren. Hen hoorde hij van drijfhout spreken, dat gevonden was geworden, en zeer onderscheiden was van den plantengroei, dien men in Europa kende. Ruw snijwerk had men uit de zee opgevischt, dat blijkbaar met zeer onvolkomen gereedschap was bewerkt. En, wat het vreemdst van alles scheen, er waren twee lijken op de Azoren aangespoeld, van een menschenras afkomstig, hoedanig noch in Europa noch in Afrika werd gevonden.

Langzamerhand schijnt bij Columbus het denkbeeld te zijn opgerezen, dat er op den aardbol nog andere en uitgestrekte landen moesten wezen, welk de Europeanen nog niet kenden. Want slechts een klein gedeelte van onze aarde was toen nog maar door beschaafde menschen bezocht. Wanneer Columbus alleen in zijne kamer zat, en zijn oogen op de ellendige kaarten van dien tijd rustten, dan werd zijn geest wakker en teekende hij met het potlood in de hand de hem bekende oevers der Middellandsche zee, benevens de minder bekende kusten van Afrika van kaap Blanco af tot kaap Vert toe. In zijn verbeelding ging hij moedig den Atlantischen oceaan op tot de Azoren toe, doch hier vond hij een eindpaal, omdat verder alles nog onbekend en onbevaren was.

Het door hem bepeinsde plan jaagde hem het bloed naar de wangen. Wat ligt, vroeg hij zich af, in dien uitgestrekten, grenzenloozen oceaan aan den anderen kant? Is de aarde een plat vlak? Gesteld, dat dit zoo is, maar waar is dan het einde, en wat ligt aan de andere zijde? Is de aarde een bol? Als zij dat is, hoe groot is die bol dan? Liggen er in dien onmetelijken oceaan andere landen? Zou het voor een onverschrokken avonturier mogelijk zijn dien bol om te varen?

In 1477 stak Columbus in zee, om het westen te vinden langs den ouden, noordelijken weg, die langs IJsland liep. Waarschijnlijk had hij van de ontdekkingen gehoord, welke de Noormannen in die richting hadden gedaan, en was 't hem bekend, dat men den afstand van Europa's noordelijkste punten tot de Aziatische stranden niet groot rekende.

Alvorens de groote onderneming uit te voeren, deed hij eerst onderscheidene kleine zeetochten. Zuidwaarts bezocht hij Madera, de Kanarische eilanden en de kust van Guinea. De wegen, door de Portugeesche zeevaarders gevolgd, ging hij ijverig na, en maakte zich vertrouwd met al wat zij van de Azoren en de westelijkste eilanden hadden ontdekt.

Ook zocht hij den noordelijken weg op, en waagde zich zelfs op eenigen afstand ten westen van IJsland. Wellicht had hij het verhaal van de Noormannen gelezen van Groenland, Markland en Vineland. Het laatste schip was van Groenland naar IJsland teruggekeerd ongeveer honderd jaren vóór Columbus dit eiland aandeed. Malte Brun onderstelt, dat Columbus in Italië van de heldendaden dezer koene zeelieden kennis gekregen had, want Rome werd toen als het middelpunt van de wereld beschouwd, en die iets belangrijks hooren wilde, moest daar zijn.

Een Deensch schrijver meent, dat Columbus, die alle mogelijke boeken en handschriften trachtte te krijgen, om verhalen van zeetochten en ontdekkingen te lezen, de geschriften van den bekenden geschiedschrijver Adam van Bremen in handen gekregen had, waarin de ontdekking van Vineland met nadruk werd vermeld.

Deze vermoedens hebben hem ongetwijfeld aangespoord tot de reis naar IJsland, en hij bracht, volgens het verhaal van zijn zoon Fernando, niet alleen eenigen tijd op IJsland door, maar zeilde nog 300 mijlen verder, waardoor hij Groenland haast moet hebben kunnen zien.

Was Columbus met de belangrijkste ontdekkingen der Noormannen bekend, dan kan men zijn vast geloof aan de mogelijkheid, om een westelijk gelegen land weer te vinden, en zijn grooten ijver, om dat te doen, gemakkelijk verkl ...

Быстрая навигация назад: Ctrl+←, вперед Ctrl+→